Aan het begin van  dit jaar gaf ik mijn linkerbuurman twee sierduiven. Hij had al een vrouw, 5 kinderen en een konijn en daar konden een paar duiven nog wel bij vond ik. Het waren  een soort witte Hagenaars. Van die circusduiven die luid klapwiekend rondjes draaien als je ze de lucht in werpt. Een van de twee was meer  beetje van het type dat we ooievaar of schimmel noemen. Zo’n duif heeft dan net als het paard van Sinterklaas hier en daar verspreid wat grijze vlekken. Geen raszuivere Hagenees dus!

Voor mijn buren was alles nieuw aan duiven. Ze keken in grenzeloze verbazing toe hoe hun duiven met snavels in elkaar verward zaten en vervolgens gymnastische toeren uithaalden. Was dat nou het liefdesspel! Ik werd er voortdurend bijgehaald en mocht als deskundige commentaar leveren. ’Ze geven elkaar kusjes’, zei Willemijn, ‘t jongste buurkind. ‘Ja’, knikte ik,’ zo is het.’  Maar ik dacht bij mezelf; dat ik  mij gelukkig  prijzen mocht dat  Corrie, mijn eerste vriendinnetje geen snavel had.

Na een tijdje werd het rustiger rond het witte duif – beleven. Ik hoefde niet meer vaak uitleg te geven. Wel riep buurman na een dag of tien uit een  slaapkamerraam; ’Cor, ik heb een ei! Wat nou!’ ‘Gefeliciteerd’, zei ik, ‘er komt nog een 2e , over 18 dagen heb je jongen’. Hij schudde zijn hoofd over zoveel wijsheid. De jongen kwamen er. Eén vloog er weg en de ander kreeg een plekje in het konijnenhok bij Hangoor. Dat vonden ze beiden niet leuk.

Vorige week zat ik aan de afwas. Een duivenliefhebber moet ook wel eens ‘t aanrecht afruimen.  Toen ik de laatste  kopjes, messen en lepels droogde, verscheen  buurman Ed opgewonden bij de keukendeur en met hem het legertje van  kinderen. In zijn handen  een witte duif die verstrikt zat in een vliegenvanger. Een brede plakkerige strook zat om staart en vleugels gedraaid en gewikkeld. Wit van veren, kleefgeel met zwarte vliegen: het was een mooie compositie! ‘Hoe krijg je dat voor elkaar, buurman?’, vroeg ik.  Hij had in hun fietsencarport een vliegenvanger hangen en  de duif was op zoek geweest naar vervangende woonruimte, want hij was  Hangoor Flappie zat.  ‘Wat nu, moeten we dat spul eraf knippen?’, informeerde  hij. Ik schudde nee; het dier kon dan immers niet meer ordentelijk vliegen.

Voorzichtig begon ik de kleverige toestand los te peuteren. De moeizame bevrijdingsactie kostte slechts wat donsveertjes en een enkele staart – en broekpen. Nu moest de vliegenstroop  weg. Aarzelend dompelde ik de jonge Hagenees in het citroenfrisse afwassopje en begon te wassen. ‘Vindt die duif dat  leuk,’ vroeg buurmans  tweede dochter, Bettine, met grote ogen. ‘Het kan me niet schelen wat ie vindt,’ bromde ik’.  Ik haalde de vogel als een verzopen kat uit het sop; het plakspul was weg. ’Nu kan die ook niet vliegen,’ stotterde Evert, de oudste van het stel. Hij moet een nachtje drogen’, adviseerde ik ’laat hem overmorgen los. En als je niet zoveel geduld hebt, stop je hem maar in de droogtrommel van je moeder!’ Evert stotterde; ‘ Dat meent u toch niet buurman!’

Buurman sprak lovende dankwoorden en vertrok met de kletsnatte  huisgenoot van Flappie; in ‘t kielzog  z’n opgetogen jongens en meiden.  En ik ging verder met mijn afwas. Een dag later klepperde de jonge Hagenaar boven onze tuinen rond, alsof er geen vuiltje aan de lucht was geweest.

© c.u.