U leest nu het derde deel over het maken van een plan is je met duiven een stapje verder wil komen, dan je tot nu toe kwam of als je nieuwe motivatie nodig hebt om door te stoten tot de betere liefhebbers in onze hobby. Is deze serie een spoorboekje tot succes. Dat is niet de intentie … de intentie is dat liefhebbers een keer in de spiegel kijken of er verbeterpunten zijn, maar het kan ook nieuwe inzichten geven. Moet dat? Nee, maar het is in ieder geval bedoeld als lekker leesvoer over onze mooie hobby. Het eerste deel was een inleiding en een attentmaking op het feit dit hobbyisten als wij zijn, weleens een plan missen en dat een goed plan maken een verrijking kan zijn van onze hobby. Het tweede deel ging over goede duiven, die wij in eerste instantie nodig hebben om onze plannen te verwezenlijken. Zonder goede duiven gaat elk plan op duivengebied ‘de mist in.’ En hoe we deze duiven kunnen krijgen en hoe we uiteindelijk deze duiven kunnen selecteren … de mand !!! In het derde deel ga ik kort in op de kweek en de opleiding …

 

Voordat ik verder ga over de kweek en de opleiding kom ik nog even kort terug op iets wat ik vorige week schreef. Ik ben geen voorstander van het keuren door zogenaamde kenners. Mijn voorkeur is dan om een hokje vrij te maken voor de duiven die je teveel hebt en die het komende seizoen te spelen en te testen. Het logische gevolg is dan bijvoorbeeld wat minder jongen te kweken in dat jaar. Soms krijg ik redelijk wat reacties op artikelen die ik schreef en dat was dit keer zeker het geval. De meeste ‘melkers’ die reageerden waren het volledig met me eens. Dat is leuk, maar niet noodzakelijk. Eén reactie was kritisch en niet van de minste liefhebber … hij zei dat ik een ‘gevaarlijke’ opmerking had gemaakt met ‘houd de duiven die teveel zijn maar aan en ga er gewoon lekker meevliegen … de mand selecteert.’ Zijn argument was: ‘Er zijn liefhebbers die overbevolking op het hok hebben en daarom niet presteren en als je dan adviseert om duiven aan te houden, als je er teveel hebt, dan komen deze liefhebbers in de verleiding er nog meer te houden.’ Een terechte opmerking van mijn duivenvriend. Overbevolking is nooit goed!!! Mijn bedoeling is om het ‘overschot’ in een leeg jonge duivenhok te doen en het jaar erop minder jongen te kweken en als je maar één jonge duivenhok hebt … later in het seizoen jongen te kweken en in ieder geval dan de helft te kweken van normaal. Ik vind het namelijk niet slim om (als voorbeeld) 20 duiven op te ruimen die nog niet getest zijn om vervolgens weer het hok vol te stoppen met de nieuwe generatie jongen. De kans is daarna enorm groot dat je er weer 20 te veel hebt aan het eind van het seizoen, als het inmiddels geen 30 zijn. …. Maar je moet in ieder geval blijven uitkijken met overbevolking, anders kun je goed presteren op je buik schrijven.

 

Als je een leuk ploegje duiven hebt verzameld, is het verstandig om jongen te kweken uit je allerbeste duiven. Het is bijvoorbeeld verstandig om de eieren van de beste helft van je koppels over te leggen naar de minste helft van je koppels. Dat is veel beter, dan dat je uit alle koppels kweekt. De kans op bruikbare duiven is dan twee keer zo groot. Wijzelf kweken alleen uit de beste 30 tot 35% van onze koppels. Een echt goede duif kweken is moeilijk. Uit bewezen goede duiven heb je meer kans, dan uit duiven die zich nog moeten bewijzen. Nu kweken wijzelf best uit sommige jaarlingen, omdat we weten dat bepaalde combinaties met regelmaat een goede duif oplevert. Nieuwkomers of nakomelingen van nieuwe combinaties moeten zich eerst bewijzen. Met de beste duiven heb je meeste kans op een nieuwe generatie goede duiven. In mijn scholierentijd verzorgde ik de duiven van een slager. Hij speelde het programma. De verzorging en de kweek was mijn ‘pakkie-an.’ In de buurt zat een liefhebber, die ook goed speelde. Winnen kon hij over een heel seizoen echter niet van ons. Hij had een keer van een paar jaar de uitslagen bestudeert en zag dat de slager elk jaar meer goede duiven kweekte dan hij en vroeg mij hoe dat kon. Hij had immers ook goede duiven. ‘Mijn antwoord was simpel: ‘Jij kweekt uit alles en hier alleen uit bewezen duiven.’

 

Het volgende deel van het plan kan zijn De Opleiding. De laatste weken heeft op het marathonduivenjournaal een serie gestaan over hoe verschillende marathonspelers hun jaarlingen spelen. De manieren van spelen varieert van heel zuinig naar ‘flink aan de tand voelen’ en alles wat er tussen zit. Al deze variaties zijn goede manieren om toe te passen. Alleen de reden moet goed zijn … de achterliggende gedachte moet kloppen. Het moet eveneens bij je passen. Er zijn liefhebbers (waaronder wijzelf) die zien dat een gemiddelde marathonduif als jaarling nog doorgroeit in zijn lichamelijke ontwikkeling. Die zijn voorzichtig in het spelen van jonge duiven en jaarlingen. Als jonge duif worden ze zelf verschillende keren gelapt en tot slot krijgen ze een vluchtje of 3 om aan de wagen en een massale lossing te wennen. Als jaarling gaat de opleiding verder met regelmatig vitesse- en midfondvluchten en tot slot een paar dagfondvluchten en misschien enkele marathonvlucht als alles voorspoedig verloopt, … meestal gebeurt dat niet, omdat de focus bij de ervaren duiven ligt. Sommige liefhebbers laten de jongen eerst uitgroeien spelen ze niet als jonge duif en in de loop van het jaarlingenjaar worden ze voorzichtig ingespeeld. Allemaal met in gedachte dat een marathonduif goed moet uitgroeien, zodat ze op latere leeftijd in staat zijn topprestaties te leveren. Kortom zuinigheid, zodat ze sterke volwassen duiven kunnen worden en dan op latere leeftijd maximaal in staat zijn ‘aan de kop te vliegen.’ Bij deze methode is geduld en ruimte een absolute noodzaak.

 

Dan heb je de liefhebbers met minder geduld en (vaak vooral) minder ruimte en die willen zo snel mogelijk weten of ze goede duiven hebben gekweekt. De jongen worden goed ingespeeld … tot vaak de laatste nationale vlucht. Als jaarling gaan ze zoveel mogelijk mee om snel in het ritme te komen en als het even kan krijgen ze twee marathonvluchten. De meesten kiezen dan wel voor twee marathonvluchten onder de 1.000 km. Dit is een methode waarmee je snel weet wat je aan je duiven hebt. Duiven die zwaar vermoeid en te laat thuiskomen kunnen worden verwijderd het hok. De eerste schifting (achterblijvers) is ook achter de rug als de duiven jaarling zijn geweest. Deze methode is streng maar met een goede opleiding als jonge duif een methode die ook te doen is en zijn voordelen heeft. Het is een methode die wel meer verliezen oplevert dan de andere methode, maar dat spreekt voor zich. Je weet wel snel wat de duiven zijn, waar je wat aan hebt.

 

De keuze die een liefhebber maakt over de opleiding is een keuze die afhangt van je mogelijkheden (ruimte, tijd e.d.) en je karakter. Of het een goede keuze wordt, ligt aan de onderbouwing, de motivatie en de uitvoering van het plan. Als je voor een bepaald plan kiest, moet je dat ook een aantal jaren volhouden, anders weet je nooit of het bij je past.

 

… wordt vervolgd …