Als ik dit ware verhaaltje aan het schrijven ben, zit het grote fondspel op de wagen. St.Vincent is al gevlogen en Cahors hangt nog in de lucht. En ieder keer als de vlucht St.Vincent gevlogen wordt dan wordt ik herinnerd aan mijn 90/1427739. Hij was een van mijn jonge duiven die in het jaar 1990 werden geboren. Al direct toen hij voor het eerst naar buiten ging was hij een haantje de voorste. Als eerste van allemaal ging hij op verkenning uit en vloog hij vanaf het tuinhok naar het hoge dak van het huis. En toen hij dan eenmaal de vrijheid had geproefd hield hem niks meer tegen om daarvan te genieten. Het grootste deel van zijn tijd bracht hij buiten door. Hij hield ook van zwerven. Het ene moment zat hij op het dak van het hok om weer even later verdwenen te zijn. Als zijn andere jonge hokgenoten binnen werden gehaald, dan was het veelal hij die op het appel ontbrak. Het was dan uren later dat hij thuis kwam en vaak genoeg zonder dat ik het merkte. Het was een rare vogel en heel waarschijnlijk zou ik niet verbaasd zijn geweest als hij op een goede dag weg bleef en niet meer thuis kwam.

Maar dat gebeurde toch niet. Hij werd voor mijn doen nog wel een goede duif. Toen de jonge wedvluchten een aanvang namen was “ mijn pechvogel” tot een hele mooie doffer uitgegroeid. En daarbij had hij ook al laten zien dat hij talent had. In zijn aanvangsjaar ging hij acht keer mee en daarvan won hij 6 prijzen. Hij had dus zijn leerschool goed doorstaan. De vijf seizoenen die daar op volgden was hij een van mijn beste vliegers van het hok. Hij ging zelfs mee naar Dax, Soustons en Sint Vincent en won van deze genoemde vluchten ook zijn prijzen. En in 1996 was hij mee naar St. Vincent. Het was toen een zware vlucht en er werden nogal veel verliezen geleden. Ook mijn doffer had de moeilijke strijd niet aangekund en ik nam aan dat hij op het veld van eer gesneuveld was.

Een viertal weken na de betreffende wedvlucht werd ik op een dag blij verrast. Toen ik die morgen mijn duiven ging verzorgen zag ik hem zitten. Op de onderste tree van de trap naar mijn hok. Ik kan het niet uitleggen welk gevoel me overviel. Het was een mengeling van geluk, blijdschap en bewondering. Toen ik naar hem toe ging en tegen hem begon te praten draaide hij zijn kop naar me toe. Hij keek naar me op en het was of hij wilde zeggen; “ sorry baas, ik heb pech gehad”. Hij was zo moe en uitgeput dat hij zich gewillig liet oppakken. Met veel liefde verzorgde ik hem en na ’n weekje had hij weer de nodige energie gekregen. Hij gaf me te kennen dat hij weer de oude was. Dat meende ik tenminste. Toen ik hem uit zijn hok haalde waarin hij verpleegd was geweest, en hem weer terug op het vlieghok zette, kon hij niet tot in zijn eigen nestbak komen. Stukje bij beetje drong het tot me door dat er iets met mijn doffertje was gebeurd. En als ik mijn duiven los had dan bleef hij binnen en tippelde maar wat over de vloer van het hok. Hij bewoog zich traag en stijf en tilde zijn pootjes hoog op en zijn vleugels liet hij een beetje hangen. Hoe ik hem ook bekeek en voelde , ik kon geen gebrek bij hem ontdekken. Hij liet zich altijd gewillig pakken en was zo mak als een lammetje. Als ik hem dan uit mijn handen los liet dan fladderde hij naar de grond en ging niet de lucht in. Ik kreeg in de gaten dat mijn doffertje vleugellam was. Hij kon nauwelijks of helemaal niet meer vliegen. Toen ik naar de dierenarts ging om de jonge duiven te laten enten tegen de paramyxo nam ik mijn “pechvogel” ook mee. Ik wilde wel eens weten wat er met hem aan de hand was.

Ik vertelde hem dat mijn “739” niet meer kon vliegen nadat hij van Sint Vincent was terug gekomen. En toen hem die dierenarts in handen kreeg en zijn vleugelarmen betasten was zijn conclusie heel direct en beslist. Die duif heeft zijn beide vleugels gebroken gehad was zijn constatering. In zijn hele praktijk had hij nog nooit meegemaakt dat een duif met twee gebroken vleugels van een vlucht thuis gekomen was. Na die mededeling van de dierenarts  kreeg ik erg medelijden met mijn pechdoffer en vroeg me af wat hij had moeten doorstaan om thuis te komen. Omdat ik met hem zoveel moois had meegemaakt, en hem daar dankbaar voor was, ging ik nog meer van hem houden. Toen ik die dag van bij de dierenarts met hem thuis kwam heb ik hem in zijn nestbak gezet en hem wat lekkere snoepzaad gevoerd. En hij voelde mijn stemming aan, en liet me merken dat er iets bijzonders in hem omging. Zo heb ik een tijdje bij hem gezeten en had ik moeite om niet vol te schieten. Nu nog moet ik slikken als ik naar zijn foto kijk.

Mijn “pechvogel” is tot aan zijn dood een trouw en vast maatje van me geweest. Het was een lust om te zien als hij als een scharrelkip over het erf tippelde om springend, tree voor tree,  de trap op te gaan naar zijn hok. Heel vaak heb ik samen met hem zitten te zonnen. Hij voelde goed aan dat hij me nodig had. Met het toenemen van zijn zelfvertrouwen groeide ook zijn innerlijke levenslust. Hij werd niet alleen gevoelig voor de klank van mijn stem, maar ook voor mijn gedragingen. Als ik het verzuimde om aandacht aan hem te schenken dan kwam hij voor mijn voeten lopen om op te vallen. Dan moest ik hem oppakken en op een zitje zetten om met hem te stoeien. Dan was hij zo verrukt dat hij reageerde met een uitbarsting van vrolijkheid en ronddraaide als een tol. En zo gingen de jaren voorbij. Ik was zo gewend geraakt aan het gebrek van mijn “pechvogel” dat ik het als iets vanzelfsprekend was gaan vinden. Zijn wereld was helaas maar erg klein, niet veel groter dan de 25 vierkante meter van het erf. Maar op warme dagen, als de zon scheen, en hij zijn klimpartij naar het bordes had volbracht, dan lag hij op het bordes te zonnen. Dan luistert hij naar de geluiden, keek naar de overvliegend kraaien en de eksters. Heel vaak zat ik kort bij hem en als ik dan zag dat hij zo rustig en vredig aan het genieten was dan had ik geen medelijden met hem maar was ik trots op hem en uitermate dankbaar. Omdat hij me geleerd heeft moeilijkheden onder ogen te zien en dat je die de baas kunt worden door flink te zijn. Zo’n vogel als mijn “739” maak je maar één keer in je leven mee. Zijn foto aan de muur herinnert me aan hem en dat maakt nog altijd iets in me los. Wie weet wat het is om veel van een dier te houden, begrijpt wat ik bedoel.

Pie Schepers

P.S. Als u ook een mooi verhaal of herinnering heeft aan een fondduif. Zet het op papier en stuur het naar marathonduivenjournaal.nl. Het verhaal hoeft niet perfect te zijn, dat regelen wij wel voor u.