Mijn opa zei vroeger altijd: ‘Het is pas duivenweer als je buiten op je overhemd naar de duiven kunt kijken.’ Zoals veel oude wijsheden is dit iets wat ik altijd heb onthouden. In die tijd had je nauwelijks specialisten en vanaf half april startte iedere liefhebber met het programma … eerst 5 vitessevluchten (echte vitessevluchten met een maximale afstand van 220 km … hooguit 235 voor de verste afstanden), daarna 2 midfondvluchten, dan de eerste dagfond en daarna afwisselend midfond en fond, totdat er aan het eind van het oude duivenprogramma ook van deze twee disciplines 5 vluchten werden gespeeld. De fond heette toen nog geen dagfond of overnachtfond, want het fondkampioenschap bestond uit 4 dagfondvluchten en Bergerac. St. Vincent en Dax werd georganiseerd voor ‘de grote mannen’ en aan Barcelona deed hooguit één of twee liefhebbers van onze club van vijftig leden mee. Het was een periode waarbij de meeste ‘melkers’ eenzelfde aantal duiven in het hok hadden. Mensen met 24 weduwnaars of een paar meer hoorden tot de grote liefhebbers. Een tijd van meer gelijke kansen en duidelijkheid … voor een groot deel gevoed door de mentaliteit: ‘Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg.’

 

Nu

… 35 jaar later heeft de duivensport zich ontwikkeld … zijn er nauwelijks programmaspelers meer en die er wel zijn, zijn in deze discipline gespecialiseerd. Het programma begint twee weken eerder (eerste weekend van april) en er zijn vluchten te kust en te keur en een vlucht als Laon (302 km) is een vitessevlucht geworden. Was het vroeger beter? Sommige dingen wel (dat iedereen zo’n beetje hetzelfde aantal duiven had … misschien), maar verder ben ik blij met de ontwikkeling. Ik ben blij met de specialisatie, omdat je kunt uitleven op de vluchten die jezelf mooi vindt. Een nadeel is de versnippering in een steeds kleiner wordende sport en de saamhorigheid is ook zeker afgenomen. Gelukkig kun je ontwikkelingen niet tegenhouden en terugkijken met een flinke dosis weemoed, vind ik ook onzinnig.

Marathonspelers zouden minder last moeten hebben van het volle programma en het twee weken eerder starten ervan. Dat zou moeten …

 

Marathonspelers in alle soorten en maten

Je hebt bij de marathonspelers liefhebbers met verschillende manieren van inspelen. Er zijn liefhebbers die zijn klaar met de kweek eind maart en zodoende klaar voor het seizoen. Vanaf de eerste africhting spelen ze hun duiven in en naar het weer en temperatuur wordt niet gekeken. Op de marathonvluchten komen de duiven ook van alles tegen, dus dat mag op korte afstanden geen probleem zijn. Er zijn liefhebbers die zijn begin april nog bezig met de kweek. Ze wachten nog een paar weken en gaan daarna van start met hun opleerprogamma. Ook zij kijken niet naar het weer en temperatuur. Dan heb je bijvoorbeeld nog de voorzichtige spelers. Die kijken vanaf half april wanneer het goed weer is en dan korven ze in. Bij temperaturen van rond de 10 graden houden ze hun duiven thuis en wachten ze een weekje. Er komt een moment dat het voorjaar wordt en je met je overhemd buiten op de duiven kunt wachten. Vanaf dat moment is er nog genoeg tijd om de duiven in te spelen.

 

Deze liefhebbers hebben het slecht in 2016

Het seizoen 2016 gaat komend weekend zijn 7e weekend in. Als je nu naar de weersvoorspellingen kijkt, lijkt het komende zaterdag pas voor de tweede keer (na het weekend van 7 en 8 mei) te lukken dat de temperatuur de 15 graden ruim passeert. Er zitten wel wat buitjes in de lucht (daar schrikken bepaalde liefhebbers meer van, dan van kou), maar temperatuur lijkt tenminste ergens op.

Afgelopen weekend was het nog koud. De duiven werden gelost voordat de temperatuur ook maar in de buurt van de 10 graden kwam en je hoorde dat ook veel van de voorzichtige liefhebbers hadden ingemand. De reden hiervan was … je moet toch op een bepaald moment gaan inmanden, want in het weekend van 18 juni heb je al Pau en St. Vincent. Voor de liefhebbers uit Noord en Oost Nederland is er twee weken eerder ook al Limoges. De duiven moeten dan toch goed zijn ingespeeld. …… Met andere woorden … het programma dwingt me nu om ondanks de kou toch in te manden. Het programma lijkt dus heiliger te zijn, dan de duiven die het moeten doen.

 

Moet een programma je dwingen?

Veel mensen die ik met regelmaat spreek, ook naast duivenmelkers, roepen weleens: ‘Ik móét niets.’ Dat is de geestelijke vrijheid die een postmodern mens (een mens van rond de millenniumwisseling) zich eigen heeft gemaakt. Bij duivenliefhebbers ligt het vaak anders. Er moet veel: De duiven moeten 1.500 tot 2.000 inspeelkilometers hebben voordat ze de eerste overnachting krijgen. Ze moeten regelmatig mee, ze moeten een geelkuur als de duiven zitten te broeden en zo kun je nog wel wat dingen opnoemen. Is dat erg? Nee, natuurlijk niet. Ik heb echter het gevoel dat er vanaf de kweek tot aan de eerste marathonvluchten een soort groepsdruk ontstaat binnen de duivenliefhebberij, waardoor melkers denken dat je een bepaald programma af moet draaien voordat de eerste marathonvlucht komt. Doe je dit niet … dan ben je kansloos. Ik noem dat programmaslaven. Altijd leuk om een nieuw woord te introduceren. Ik denk dat je niet het programma van de meute moet afdraaien en dat er juist tussen de topliefhebbers melkers zitten die het vaak net even anders doen en ze daardoor de grote groep een slag voor zijn.

 

Wat denkt u? …… reageren mag altijd via de contactpagina en de mail.