Links in het onderste broedvak kijkt een duif me kwaad en argwanend aan. Z’n oog fonkelt.  Hij glipt door mijn vingers als ik hem pakken wil. Dat geeft problemen. Een duivenmelker op leeftijd   bukt niet soepel meer en op de hurken gaat helemaal niet. Na wat vergeefse pogingen lukt het de booskijker te arresteren.

 

De duif is gezond: verenpak in orde, pluim zacht, gewicht goed, keel schoon en mooie schone warme pootjes. De ogen schitteren als edelstenen. Die springen bij wijze van spreken uit zijn kop. Het is een jaarlingmannetje. Het ringnummer is van mij; de 039. Die staat niet meer op mijn hoklijst. Hij is terug van lang weg geweest. Het is begin april 2015. Ik heb net gekoppeld. Meneer heeft daar in dat nestvak al een dame versierd. Straalt dat oog daarom. Maar de andere duiven in het hok lichten niet zo sterk op met hun kijkers! Mijn  duivenbuurman Kobus  had het in zijn tijd over een duif met een zwerfoog. Die duif was heel lang van huis geweest, had gezworven, keek met ogen als karbonkels, zat slecht in de veren en onder de luis.

 

Waarom die 039 nu zo bliksems helder uit zijn doppen kijkt en opeens de geest heeft gekregen om naar zijn hok terug te keren, is me een raadsel.  Misschien heeft hij een stimulerend drankje of een geestverruimend middeltje gehad, want zijn ogen schitteren als sterren. Vrouwenogen kunnen soms ook zo glanzen. Zij zijn echter niet aan de zwerf geweest  maar hebben iets gedaan met mascara en oogdruppels.

 

Nadat ik glinsteroog heb teruggezet in zijn domein, loop ik naar huis. In de woonkamer blader ik in mijn duifdagboekje: Zes augustus 2014, de dag dat ik jarig ben, krijg ik telefoon uit Wognum. Een verzekeringsagent: in hun kantoor heeft een duif rondgelopen. Via ’Zoek Duif’ en het internet is mijn adres gevonden. Het ringnummer wordt genoemd. De laatste 3 cijfers zijn van mijn jonge 039. ‘Heeft de duif ook een blauw knijpringetje om,’ vraag ik voor de zekerheid. ‘Dat kunnen we niet goed zien, meneer’, is het antwoord,’ want de duif zit buiten voor het raam.’ We spreken af dat mijn jonge duif weer toegang tot het kantoor verleend zal worden, dan kan de vogel in verzekerde bewaring gesteld worden en mag ik hem ophalen. Er wordt gelachen door verzekeringsmensen. Het is daar in Wognum een vrolijke boel. Ik hoor echter nooit meer iets uit het verre Noord-Holland.

 

Terwijl ik het aantekenschriftje doorkijk, is ondertussen een van mijn jongens thuisgekomen. Die heeft in een kringloopwinkel een kindervoorleesboekje op de kop getikt. Dat heet Duffie en is geschreven door Willem G. van de Hulst jr. Het gaat over een ontsnapte duif die op een kerk met een kerktoren woont. Dat duifje kan praten. Het beestje heeft een schuil- nest- en slaapplekje gevonden tussen de vleugels van het standbeeld van een engel. Dat is dus zijn beschermengel en hij hoeft niet bang te zijn voor de blaffende honden op het kerkplein en de buizerdroofvogel op de toren. Tenslotte vertelt Duffie over het kerstfeest in de kerk dat hij zo van een afstandje en toch van dichtbij meemaakt.

 

Ach ja kon mijn 039 maar praten, dan kon hij vertellen, wat hij na zijn bezoek aan  dat assurantiekantoor zo allemaal had meegemaakt. Zo van: Ja baas ik ben  toen verder gevlogen naar Den Helder, daarna ben ik het Marsdiep overgestoken en op Texel heb ik het best naar mijn zin gehad. In een van die dorpen daar was een mooie kerktoren, daar zat je hoog en droog en in de omgeving was eten genoeg. Maar waarschijnlijk hebben  in die 8 maanden  toch andere dingen gespeeld.

 

©c.u.