Het was op een woensdagmorgen. Jamie en Nadine zaten, neus tegen de tv, Zeppelin te kijken. Boven achter m ’n PC checkte ik de mail. Er waren berichten van Oliphant en Klaverblad. Dat zijn codenamen voor lui die een weblog onderhouden. Opeens was er een doffe dreun, alsof de achterbuurvrouw een gaslekontploffing georganiseerd had. Ruiten rinkelden. Van beneden klonk de kreet:’Opa, er vliegen een heleboel duiven tegen het raam. Hinkstap roetsjte ik de trap af.

 

’Kijk, Opa’, zei Nadine. Ze wees. Op het glas zag je witgepoederde afdruk van vleugels, veren, staart en een geknakte duivenkop. Buiten was geen duif te zien. De lucht was schoon en blauw. Heel in de verte trokken vogels sprintjes. Ik ging de tuin in. Onder de vensterbank lag een dode duif. Het was een van mijn jonge bontjes, een paar dagen na Oud en Nieuw geboren.

 

Mijn Opazeggers kwamen kijken. Dat was zielig, vonden ze, kon ik hem niet beter maken.  ‘Nee’, reageerde ik snoeihard,’die is morsdood! Hij is nog warm, voel maar.’ Ze legden hun handjes voorzichtig op de samengevouwen vleugels. ‘Jammer toch, hè Opa, misschien wou hij naar je toe om wat te vertellen en toen zag hij dat glas niet.’ ’Ja, en nu is z’n broertje ook alleen want ze waren met hun tweeën’ zei ik.  ‘We moeten hem begraven, Opa!’ ’Later’, zei ik’ eerst moeten we  de ring terug.’ Met een schaar ging de poot eraf. Waarom dat moest, vroegen ze. ‘Dan kan dat ringetje weer hergebruikt worden. Het is een mooi nummer:2201.’

‘Mag ik dat pootje’, vroeg Jamie.  Hij had de duivenvoet al in z ’n hand voor ik erop bedacht was, want het is een grijpgraag kereltje. ’Wat moet  je daarmee, joh!’  Nou, die wilde hij op school aan juf laten zien.

 

Ik zag het al voor me. Plaats van handeling; de Theo Thijssenschool in de Jordaan.  Juf;’Wat  ga je me laten zien, jongen!’ Jamie: een pootje van Opa, Juf! Opa, die heeft duiven en eentje is er pats boem tegen het raam gebotst en toen was hij dood.’ ‘Bah jongen, wat akelig; er zit nog  bloed aan.’ Nee, dat leek me geen gezond plan. Jamie zou een verward verhaal opdissen en wat kon Juf aan hem en de klas vertellen. Dus geen poot mee naar Amsterdam. Dat stond vast!

 

‘Waar gaan we dat duifje begraven’, informeerde Nadine. ‘In de voortuin na het avondeten.’ Ze knikte tevreden. Ik stopte het duivenlijkje in een papier boterhamzakje dichtgevouwen en geseald met tape. Waarom dat moest. ‘De kat mag er niet aankomen’, zei ik. ’Hallo daar is het broertje ook’, zei James. Onder het duivenhok vandaan kwam de andere bonte, keek even naar de lucht en verdween schichtig weer onder de vloer van het hok.

 

Binnen keken we samen nog eens naar de silhouetten op ’t raam. Was er ook een grote vogel bij. ’Nou, aarzelde Nadine ik zag wel iets met zwart, wit en een beetje grijs.’ ’Misschien een valk of een sperwer’, zei ik.  Jamie riep:’ja Opa dat geloof ik ook. Zo een was het.’ Hij gebaarde naar de schutting. Daar zat een ekster! ‘Nou die was het zeker niet, die eet geen duiven en vliegt niet tegen vensters.’ Oké, als Opa dat zei zou het wel zo wezen.

 

De telvisie eiste weer aandacht. Nadine vroeg na een tijdje of het raam niet schoon moest en ik zei dat de hulp dat wel deed.  En Jamie mompelde gehypnotiseerd door Nickelodian met Roary de Racewagen en Bruno en de Bananenclub glimlachend: ’Ja dat doet de Hulk toch!’ De rest van de dag werd over’ the collision course’ van het duifje niet meer gesproken. Op de eventuele begrafenis in de voortuin kwamen ze niet terug!

©c.u.

Cor Uitham