Vandaag ben ik een beetje filosofisch. Wat fantaseren over duiven kan geen kwaad.

Toen ik zo’n 50 jaar geleden aan de postduif raakte, was er over de manier waarop duiven hun weg zochten weinig bekend. Er zou een soort kompas zijn. Een stukje ijzer in hun koppetje dat naar een noordpool wees. Hoe het precies werkte, bleef een raadsel.

Ik richtte m’n duiven op de fiets naar de vier windstreken af; dat kon een goeie leerschool zijn. Van alle kanten  moesten ze thuis kunnen komen. Het waren betrekkelijk korte afstanden. Vanuit Heerde waar ik toen woonde, peddelde ik naar Epe, Vaasen en Apeldoorn in het zuiden. Een andere maal trok ik met mijn duivenmand achterop een sprintje naar Wapenveld of Hattem in noordelijke richting. Aan de oostkant van het dorp bracht ik een bezoek aan Veessen of Oene. Het westen van mijn woonplaats sloeg ik over want daar had je van die uitgestrekte bossen en dat vonden duiven niet zo prettig, meende ik. Op het weer lette ik eigenlijk helemaal niet. Ja, als het regende stapte ik niet op de fiets. Veel leermomenten kregen mijn jonge duiven niet. Na een paar keer hield ik dat  lappen per fiets wel voor gezien; ik moest tenslotte ook nog huiswerk maken en op de fiets achter de meiden van het dorp aan.

Mijn duiven gingen na die fietsafrichtingen met de vereniging per trein mee op de eerste wedvlucht. Dat was Arnhem en daarna volgden Nijmegen, Venlo of Roermond, Maastricht en daarna hup België in richting Vilvoorde. Het tijdstip van lossing stond, weer of geen weer, vaak van tevoren al vast.

Nu, meer dan een halve eeuw later, is het aantal oriëntatie theorieën groter geworden maar ‘t raadsel niet kleiner. De weersomstandigheden worden scherp in de gaten gehouden. Wat dat betreft is er veel voortuitgang geboekt maar hoe duiven hun hok vinden en waarom ze toch ook soms niet thuiskomen is nog altijd onderwerp van veel speculaties. Een vage deskundige denkt dat een duif zijn hok ruikt. Een Brits filosoof gaat ervan uit dat de postduif door onzichtbaar elastiek naar huis getrokken wordt. Als de afstand te groot is, gaat de rek eruit en komt de kampioen maar moeilijk of helemaal niet thuis. Duiven maken behalve van het magnetisch veld tevens gebruik van de zon. De zon moet ze niet de verkeerde kant opsturen met hoge en lage inversies.

Sinds enige tijd kennen we de zgn. snelwegtheorie. Engelse onderzoekers hebben ontdekt dat duiven ‘t patroon van snelwegen, spoorlijnen en waterwegen  lijken te volgen. Natuurlijk zijn daar al de nodige grappen over gemaakt: mijn duif heeft de verkeerde afslag genomen, is op een rotonde blijven rondkarren, of de 88 was laat, want hij zat in de file.

De laatste heeft moeiteedited

Misschien is het niet zo gek van die wegen. Meestal laten wij we onze duiven wel ergens langs de weg los, wanneer we ze gaan lappen dat wil zeggen als ze oefenvluchtjes mogen maken Onze duiven gaan immers ook wekelijks met de container over de weg zuidwaarts, de meeste losplaatsen liggen aan hoofdroutes. In hun 3 – 5 jarige vliegleventje leggen ze gemiddeld, laten we zeggen,15 x per jaar dezelfde weg af. Als ze dat allemaal onthouden en zo een soort wegenkaart tot hun beschikking krijgen, wordt de conclusie van die Engelse wetenschappers wel  aannemelijker. In dat duivenhoofdje moet dan ruimte zijn voor een vrij groot geheugen. Natuurlijk niet op de manier waarop mensen dingen onthouden, zien en herkennen. Ook kunnen we veronderstel ik  met een gerust hart aannemen dat onze duif niet beschikt over een soortement van Tomtom waarbij een innerlijke stem zegt: ‘Neem na 300 meter de volgende afslag rechts en ga dan 16 kilometer rechtdoor!’ Laat ik voorlopig die Snelwegtheorie dus toch maar het voordeel van de twijfel geven.

Algemeen wordt aangenomen dat de duif gebruik kan maken van meer eigenschappen om z’n hok te vinden; zon, magnetisch veld,  geur en herkenning.

Een zintuig of vermogen dat weinig of niet benut wordt gaat achteruit. Als duiven zich veelvuldig op het wegennet concentreren door duifgeneraties lang een bepaalde  ‘ideale’ vlieglijn te volgen, stompt een ander hulpmiddel misschien af. Het soms trage verloop van  een onverwachte vlucht op de oostenlijn of vanuit het noorden wordt dan logisch. Immers in dat deel van België en Nederland kent ons fladdervolkje het kaartbeeld niet. De duif moet dan bijvoorbeeld terugvallen op zijn magnetische trukendoos. Zogenaamde fondduiven komen dan vaak voorop. Zij zijn immers gewend aan onbekende streken en grote omwegen.

© c.u.