Het ging opeens aardig met mijn jonge duiven. De concurrentie dacht dat het van die ren aan het jonge duiven hok kwam. Die uitbreiding van mijn accommodatie had ik te danken aan mijn clubgenoot Gerrit.
Een paar jaar eerder kon ik met Orléans jonge duiven zelf niet klokken. Ik had een tuinfeest in het Hoge Noorden. Een van mijn zusters werd vijftig.
Vroeger bleef ik voor de duiven altijd thuis; ik zei vakanties, feesten, visites en afspraken af, want ik wilde er bij zijn als mijn vogels thuiskwamen; stel je voor dat ze voor de verandering eens vroege prijzen vlogen!
Maar de ervaring, van het lange wachten en de teleurstelling hadden mij tenslotte geleerd dat zoiets niet verstandig was. Je liep weer een leuke verjaardag mis en die duiven lieten je ook nog eens weer in de steek. Kortom je had dan een waardeloos weekend.
Dus toen zat ik in de buurt van Groningen. Het was een mooie dag. De tuin was vol mensen. Er klonk tromgeroffel, het kampvuur brandde en er was een mooie zangeres, maar ik was toch af en toe met mijn gedachten bij Gerrit. Hoe zou het hem vergaan?
Dat hoorde ik later. Eerst viel er een vaal duivinnetje op het dak. Dat was de Prinses. Gerrit riep, floot en rammelde met voer, maar de jonge duif dacht; d ‘r loopt een vreemde vent in de tuin en ze begon aan een uitgebreide inspectie van de dakgoten. Een weinig vorstelijk gedrag..
Even later streek er een donkere jonge doffer op de nok van het huis neer. Dat was de Prins. Ook hij piekerde er niet over op Gerrits verzoek naar beneden te komen. Ben je gek, die vent daar beneden had niks in te brengen. Hij was zijn baas niet! Inmiddels kwamen de buren links en rechts over de schutting en de heg kijken wat er wel gaande was.
Zij zeiden:” Je moet niet zo schreeuwen en met de voerbus schudden, man, want dat doet de buurman ook niet. Die maakt geen herrie en zegt nooit wat. Ze komen gewoon van dat dak af het hok in.”
De Prins had een stoppeljong in een kartonnen doos liggen en eigenlijk was dat wel een reden om snel binnen te lopen. Dat had ik Gerrit vooraf tijdens de briefing natuurlijk wel verteld.
En om de jonge doffer te verleiden, zette hij vervolgens dat jong met broedschotel en al op de superval. Zogezegd op de stoep van de Duivenvoordeur. Dat was natuurlijk stom. De duif begreep er nu helemaal geen snars meer van.
Toen kwam de derde duif thuis. Het was de Denise een blauw duivinnetje. Ze was zo moe van de 534 kilometer dat ze direct op het hok landde. De broedschotel werd gauw van de valklep gehaald. Want die stond nu in de weg! Ze liep binnen en de beide andere duiven volgden haar.
Ze haalden de zesde, zevende en negende plaats in de vereniging. Dat was niet slecht en Gerrit belde trots naar Groningen om het resultaat door te geven.
Later bij de nabespreking zei hij: ” Je zou tussen het hok van de jonge duiven en het verblijf van de weduwen een ren moeten fabriceren. De schutting van de buren kun je mooi als achterwand gebruiken; je hoeft er alleen maar wat gaas over en voor te spannen.
Dat vond ik geen slecht plan en ik beloonde hem met een laat zomerjong; een halfbroer van de donkere Prins.
Pas in het begin van de volgende zomer werd de ren gebouwd. Mijn zoon, die niets van duiven wist, dacht er lang over na en slaagde er tenslotte met veel kunst en vliegwerk in om er een architectonisch verantwoord geheel van te fabriceren. En vanaf die tijd vlogen de jongen nog beter en raakte ik er maar weinig kwijt. Of het van de ren kwam! Volgens Gerrit was zijn ren het ei van Columbus geweest.
De Prins verongelukte op een midfondvlucht en de Prinses vond Montlucon te ver. De Denise bleef trouw naar huis vliegen, klasseerde zich zelfs vroeg van Bergerac en werd de trotse moeder van een paar goede jongen en Gerrit was ik beslist dankbaar.

Cor Uitham