Het is vandaag prachtig septemberweer, de lucht is blauw. Er is een enorme hoop herrie in de buurt Bulldozers en graafmachines brommen en brullen ,drilboren ratelen staccato . In de weg hiernaast komt nieuwe riolering,  een paar honderd meter achter het huis wordt een flat afgebroken. Leuk voor je gemoedsrust is dat niet. Ik  vraag  me  af of mijn duiven in hun hok en volières er  last van hebben. Die hebben toch ook oren, al zie je die niet .Als je tegen ze praat- de duiven- lijken ze wel te luisteren. Ze zeggen niks te terug. Dat is wel jammer. En dat zijn vogels  nerveus en onrustig kunnen  worden, weet toch elke duivenmelker .

Gisteren heb ik ze wel losgelaten. Eerst mochten een paar bejaarde stokoude doffers en duivinnen hun aanleunwoninkjes uit en het dak op. Die draaiden hun gewone dicht in de buurtrondjes en gingen vervolgens in de tuin wandelen, steentjes tellen en aan groene blaadjes snavelen. De Ouwe teletekst 64 en de Zwarte Staartprijzen Streef begonnen met nestmateriaal te sjouwen … Niks aan de hand baas! Ik riep nog; Jongens stop daarmee de ‘R’ zit in de maand, de tijd voor gezinsuitbreiding is voorbij, maar de heren waren niet te stuiten en ze hadden lak aan shovels, pneumatisch hamers en vallend puin op loopafstand. Daarom gaf ik even later de jongere generatie vliegduiven ook  maar de vrijheid. Die draaide wat rondjes en verdween een tijdje uit zicht om daarna voor dakhaas te gaan spelen. Veel vlieglust is er eigenlijk niet meer. De duiven laten hun veren en dons royaal vallen.

Met het uitlaten van de puberduifjes in het rennetje op wielen leek het me beter te wachten tot een uur of vier als het bouwvaklawaai zou stoppen. In dat mobiele duivenhokje  heb ik de laatste aanwinsten van dit jaar onderdak gegeven. Op verkopingen steek ik bij het bieden soms in een opwelling  de hand op of ik strijk door mijn grijzende haar en dan zit ik aan wat duiven vast. Eind december vorig jaar was er zo’n veiling van Marathonduivenjournaal in Soest. Ik zwaaide een paar keer met mijn hand met het gevolg dat ik een aantal duiventegoedbonnen rijker was. Het resultaat: ik mocht in het jaar dat kwam heel het land doorkarren om jonge duiven te halen. Wolvega,  Roodeschool, Assen, Veenendaal en een dorp in Brabant waarvan ik de naam kwijt ben. Natuurlijk kon ik ook daarbij nog eens een stel verdwaalde duiven repatriëren, die zaten onder andere  in Beneden-Leeuwen, Ederveen en ergens in de kop van Noord-Holland. Kortom; duiven brengen je op de  gekste plekken

Welnu  pas aan het eind van de dag  heb ik mijn toekomstig waardvol  kweekmateriaal  pas losgelaten: negen in getal … De drie uit Assen mochten de duivendeur nog niet uit.  Ze moesten de geur van  hun nieuwe hok nog wat beter opsnuiven, vond ik. In de buurt was het stiller dan stil geworden. Al gauw kwamen ze informatie in alle richtingen over de wijk gevlogen, prachtig, een genot voor het duivenmelkersoog: mijn Zwarte Goud zullen we maar zeggen! Even later streken ze neer. Maar toen kreeg ik de bibbers. Op verschillende hoogte kwamen  in optocht  een stuk of zes heteluchtballonnen boven mijn huis en hok zweven. De piloot van de laagste ballon zette  zijn gasbrander aan, een geluid alsof er een  band leegloopt. Mijn negen donkerblauwe duiffies stoven van het dak af. Gelukkig keerden ze terug toen de ballonvaarders uit zicht waren. Een half uurtje daarna zaten ze weer veilig in hun  eigen vertrouwde duivenkooi. Met hun onzichtbare oren was niks mis. Wellicht kon ik  ze toch een andere maal uit voorzorg  beter oordopjes meegeven of; zo’n dove koptelefoon. Van die oorbeschermers die die sloopjongens en rioolartiesten ook eigenlijk wel  moeten dragen.

©c.u.