‘Een verdwaalde duif is voor mij waardeloos. Ik haal nooit een duif op en ik wil ook geen aanvliegers op mijn hok.’ Aan het woord was de ’Kapitein Iglo’ van onze club, althans  daar leek Hendrik met zijn besnorde kop nog het meest op. ‘Je moet nooit, nooit zeggen’, zei ik, ’mijn ‘Ouwe Kees’ heb ik zeker 2x opgehaald: eerst uit Hattem en later zat hij in Hoonhorst. Hij had toen hier in de stad al eens vroeg gevlogen van Dax en Sint Vincent en een jaar daarna vloog hij in het tijdsbestek van een zomer  vier overnachtprijzen.’ ‘Zegt me niks,’ schamperde H, ’uitzonderingen bevestigen meestal de regel.’ ‘Dat is een cliché,’ reageerde ik, ’geef mij maar zo’n uitzondering.’ ‘Doe niet zo wijs ,’bromde hij, hoofdschuddend.

Het mannetje van de Vissticks reclame vond mij maar een druiloor. De toon was gezet. Gesprekken tussen duivenmelkers verliepen niet altijd even vlekkeloos en sommigen mochten elkaar maar al te graag vliegen afvangen. Die Ouwe Kees van mij was een mooie blauwe doffer van ’94. Zijn dwalingen in Oostelijk Nederland dateerden van ’98 en ’99. Hij  werd 17 jaar en sleet zijn laatste jaren op een oud kweekhokje of een soort duivenrenteniershuisje.  Zijn jongste dochter zat in 2003 met 10 prijzen in de top vijf: beste jaarling van de club. Natuurlijk had die Hendrik met zijn mooie snor wel een beetje gelijk. Mijn ’bejaarde’ duif was een uitzondering en je kon talloze voorbeelden van het tegendeel aandragen. Maar succes was niet altijd de reden om een duif op je hok te laten: Ouwe Kees liep  op het laatst een beetje kreupel. Zijn baas was de trotse bezitter van een kunstheup en ging  ook wat schommelend door het leven. En zoiets schiep een band.

©c.u.