“De ouwe blauwe Kees, zegt jou dat nog wat?” … Dat berichtje kreeg ik gisteren onverwacht via Messenger op Facebook van Anne Wassens die ik ooit nu bijna 20 jaar geleden op een carpoolplek ontmoette.  Ik reageerde digitaal met: “Natuurlijk Anne: Ouwe Blauwe Kees die in zijn topjaar vier overnachtprijzen vloog. Dat staat me nog helder voor de geest. Hij verdwaalde soms ook”. Anne refereerde in die facebookdiscussie aan het verhaal dat ik in de vorige eeuw over onze ontmoeting destijds in het NP-Orgaan schreef.

 

Op een zomerse woensdag liet ik mijn jonge duiven los; ze stormden naar buiten alsof er een boze geest in het hok zat, waren in een handomdraai uit ‘t zicht en lieten zich niet meer zien. Ik stapte in m’n auto op weg naar een geheimzinnige afspraak, een soort blind date, met onbekende duivenmelkers. Een week eerder had ik een telefoontje van een vriendelijke melker uit Hoonhorst die meldde dat mijn ‘ouwe blauwe Kees’ daar was binnen gelopen. Ik zei hem dat de duif van St Vincent achter gebleven was; dat z’n kompas in de war was, dat hij vorig jaar van Bergerac al eens in Hattem was gestrand en dat de doffer zich kennelijk in het Oosten van het land niet meer kon oriënteren.

 

“Het is dus een goeie duif,” merkte de beller gekscherend op,” en nu mag ik hem zeker houden”. “Nee nee, om de dooie dood niet. Die Kees van mij haalde in 1998 een 9e van St Vincent en een 10e van Dax hier in de stad. Ik kom hem halen. Waar ligt dat Hoonhorst !.” “Dertig kilometer oostelijk van Hattem,” verklaarde de man.

“ Ik heb een voorstel,” ging hij verder,” ik kom je halverwege tegemoet. Volgende week ga ik met een vriend jonge duiven africhten, ik bel nog wel over plaats en tijd.” Ik vond dat een fijn plan! En nu reed ik op de A28 naar het oosten. Op de zitting naast me een papier met aantekeningen over de route: de A1 nemen ,voorbij Apeldoorn de A50 richting Zwolle , dan na het vierde viaduct de afslag Terwolde links over de snelweg, daar aan de andere kant zouden mannen op een carpool klaar staan.

 

Na kruispunt Hoevelaken begon mijn mobiele telefoon een deuntje te spelen. Een goedlachse liefhebber uit Helmond meldde dat de jonge donkere 70 die ik van hem gekocht had op een centraal hok in Zeist zat. “Hoe komt dat beest op zo’n idee,” zei ik.” “ Ja,” lachte Helmond,” dat zijn kinderziekten!” Ik beloofde ‘t duivinnetje met spoed uit dat duiven -opvangcentrum te evacueren. Een tijdje later verliet ik de A50. Aan de andere kant liep links een lange blonde man in de berm en op de carpoolplek ernaast stond zijn wat kleinere donkere metgezel bij een Opel Astra te wachten. Dat moesten mijn duivendealers zijn. Na een hartelijke begroeting werd ‘Ouwe Kees’ overhandigd. De heren hadden drie boxen bij zich met een honderdtal jonge duiven. Ze dachten dat het goed weer was om duiven te lossen. Ik vroeg of de Hoonhorstenaar een paar jongen uit de Kees wilde hebben. Daar zei hij geen nee tegen, als het maar geen late waren en of ik het zelf onthouden wou. Vervolgens werden handen geschud. Zij reden verder richting Vaassen om daar ergens hun duiven in vrijheid te stellen. Ik ging dezelfde weg terug.

 

Toen ik aan de middagboterham zat, ging de telefoon. Een man uit Harderwijk. De buurvrouw had een duif bezorgd met een gekwetste vleugel. Het was de broer van de duif die eerder op de ochtend uit het zuiden gemeld was. Ik had wel pech met mijn toekomstige Barcelonavliegers. Dus ging ik die dag weer op pad om verloren schapen op te halen. Ik kreeg in korte tijd wel veel duiven opgegeven. Terwijl ik opnieuw in allerlei richtingen over de A28 reed, besefte ik dat mijn jonge duiven wel erg ver van hun Amersfoortse hok wegtrokken als ik ze losliet. Zo hoefde je ze niet af te richten, dat deden ze zelf immers. Mijn duiven leken bovendien een voorliefde voor steden en dorpen met de beginletter h te hebben. Het was allemaal toevallig! Die voorkeur voor H- plaatsen was al eerder gebleken met een forse zwartbonte jonge doffer die achtereenvolgens problemen kreeg in Hank, Hoorn en Hilversum. Ik noemde die vogel vanwege zijn kleur de pinguïn. De man van wie ik dat succesnummer kocht, was om die naamgeving een beetje in zijn wiek geschoten. Hij zei:” Kijk naar je eigen, je loopt zelf als een pinguïn. “

 

Van de aan de Hoonhorstman beloofde jonkies kwam niks. Er was nog een paar keer telefonisch overleg maar tot een echte transfer kwam het niet. Blauwe Kees vertrok op een heldere najaarsdag voor een fladderrondje in de buurt en kwam niet terug. Hij werd zeventien jaar.

 

©c.u.