Afgelopen zomer moest ik mijn blauwe 31 terughalen uit Didam in de Achterhoek. De jonge vrouwtjesduif was van de eerste wedstrijdvlucht vanuit Meer … aan de Belgische grens niet thuisgekomen. En Meer dat was toch een makkie, een kleine negentig kilometer. Dat is toch een peulenschilletje voor een beetje postduif. Maar misschien had ze net als haar baas een hekel aan die losplaats. Meer!!! Zeg nou zelf! Dat is toch geen naam voor een romantisch aangelegde duif of liefhebber.

 

Het beestje was al 3 weken ‘t spoor bijster en de opvanger had haar pas 2 dagen asiel verleend. ‘Ze heeft misschien nog ergens anders gezeten’, brulde hij door de telefoon naar Amersfoort Je hebt nog altijd lieden die denken dat ze in de hoorn extra hard moeten roepen, maar ze worden zeldzamer. Ik beloofde de duif te halen. Het toeval wilde dat ik zelf een jonge doffer uit Zevenaar had opgevangen. Die kon ik mooi thuisbrengen. Dat lag op de route. Zo sloeg ik een paar vliegen in een klap.

 

Op een zonnige zomer morgen ging ik op weg naar de Duitse grens. De duiven man in Zevenaar keek me aan of ik een vreemd insect was. Wie brengt nu een duif naar een liefhebber terug! ‘Die spoort niet helemaal’, zag je hem denken. Misschien had hij wel gelijk Al te goed is buurmans gek, zegt een oud spreekwoord.

 

In Didam zat mijn 31 in een opvangrennetje en werd ik enthousiast ontvangen met frisdrank en toebehoren. Er stond een mooi, niet al te groot, hoog gebouwd duivenhok in de achtertuin. In de carport hing een miniatuur duivenhok Het was een tot in details nagemaakt model van ‘t grote tuinhok. De liefhebber had het gekregen toen hij 50 werd. Een knutselgrage zwager had ‘t gebouwd. ’Daar kun je kanaries in houden’, zei ik. ‘Ja,’beaamde hij,’of diamantduifjes.’ ’Het is te groot voor Madurodam. Jammer, daar zou ‘t niet misstaan’, lachte ik. We namen nog een Seven up, want de reis uit Amersfoort was ver.

 

Toen ik naar huis reed, dacht ik opeens aan de Oost-Indische tortels die mijn Ooms vroeger boven de voordeur in de gang van de boerderij hadden zitten. Die tortelkooi was in ‘t klein, een exacte kopie van hun Groninger boerenhuis. En die tortelduiven hingen daar niet voor niks want ze hielden boze geesten en allerlei kwalen buiten de deur, volgens mijn oom Roelof. En Oom Albert vertelde dat dat kwam omdat een duif het symbool van de heilige geest was. Kom daar tegenwoordig eens om! Duivenmelkers hebben de pest aan tortels omdat die juist allerlei ziekten zouden overbrengen.

 

Ach ja, en die 31 was na een week weer vertrokken en werd in de late herfst nog eens door een Duitse liefhebber in de buurt van Bentheim gemeld.  Dat was een mooie plaats voor een duif om onderdak te zoeken en ik vond dat mijn ze voortaan maar onder Duitse vlag moest gaan vliegen. Dus zei ik tegen de duivenman in  in mijn lotterhaftes Deutsch ‘dasz  es ein hervorragender guter Brieftaube war un dasz er die behalten konnte’.

 

©c.u.