Ergens in een hete zomer moest ik mijn blauwe 31 terughalen bij B. uit Didam in de Achterhoek. De jonge duivin was van de eerste puntenvlucht uit Meer niet thuis. Misschien had ze net als haar baas een hekel aan die losplaats. Meer ! Dat is toch geen naam voor een  romantisch aangelegde duif of liefhebber. Zeg nou zelf! Als het nu nog eens Sint Job in het Goor of Minderhout was geweest! Het beestje was al 3 weken ‘t spoor bijster en de opvanger had haar pas 2 dagen asiel verleend.

‘Ze heeft misschien nog ergens anders gezeten’, had hij door de telefoon gezegd. Ik beloofde de duif te halen. Het toeval wilde dat ik zelf een jonge doffer uit de omgeving van Zevenaar had opgevangen. Die kon ik mooi bij de rechtmatige eigenaar thuis brengen. Dat lag op de route. Zo sloeg ik een paar vliegen in een klap.

Op een super zonnige zomer morgen ging ik dus op weg naar de Duitse grens. De duiven man in de buurt Zevenaar keek me aan of ik een vreemd insect was. Wie brengt nu een duif naar een liefhebber terug! ‘Die spoort niet helemaal’, zag je hem denken. Misschien had hij wel gelijk. Al te goed is buurmans gek, zegt een oud spreekwoord. Hij joeg me bijna zijn erf af! In Didam zat mijn 31 in een opvangrennetje en werd ik enthousiast ontvangen met frisdrank en toebehoren. Er stond een mooi,  niet al te groot, hoog gebouwd duivenhok in de achtertuin. In de carport hing een miniatuur duivenhok Het was een tot in details nagemaakt model van ‘t grote tuinhok.De liefhebber had het gekregen toen hij 50 werd. Een knutselgrage zwager had ‘t gebouwd. ’Daar kun je kanaries in houden’, zei ik. ‘Ja,’ beaamde hij, ’of diamantduifjes.’ ’Het is te groot voor Madurodam. Jammer, daar zou ‘t niet misstaan’,lachte ik. We namen nog een Seven up, want de reis uit Amersfoort was ver en warm. En ik vertelde nog van het mooie sierduivenhuisje dat mijn buurman in Amersfoort in elkaar getimmerd had. Dat het net zo’n duiventil was zoals die afgebeeld stond op het leesplankje waarmee wij vroeger leerden lezen: ‘aap, noot, Wim, Jet en Mies, Teun, vuur, Gijs, duif, hok, weide, Does, schapen….’, ratelde ik daar in Didam op maar van de volgorde klopte voor geen meter. Daar stoorde mijn duivengastheer zich niet aan. Hij schonk nog een Seven  up in voor me, want het was dorstig weer.

 

Toen ik naar huis reed, dacht ik opeens aan de  Oost-Indische tortel die mijn Ooms  vroeger boven de voordeur in de gang van de boerderij hadden zitten. Die tortelkooi was in ‘t klein, een exacte kopie van hun Groninger boerderijhuis. En die tortelduif hing daar niet voor niet voor Jan Doedel, want ze hield boze geesten, spoken en allerlei onbeschrijfelijke kwalen buiten de deur, volgens mijn oom Roelof. En Oom Albert vertelde dat zoiets mogelijk was omdat een duif het symbool van de Heilige Geest  was. Daar geloofde ik geen sikkepit van. Immers die vrijgezelle Ooms van mij hielden hun stadsneefje graag voor de gek. En ze hielden bovendien zielsveel van hun tortel! Kom daar tegenwoordig eens om! De meeste duivenmelkers hebben toch de pest of de schurft aan tortels omdat die juist allerlei ziekten zouden overbrengen. Ach ja, en die 31 was na een week weer vertrokken en werd in de late herfst nog eens door een  andere Oostelijke liefhebber gemeld.

 

© c.u.