Het regende. Ik was ziek; een griepje, een soort ornithose zou je kunnen zeggen. Karel kwam op bezoek. Hij bracht een jonge duif mee die buitengewoon goed in het vlees zat. Dat was niet als medicijn bedoeld. Het was een jonge doffer uit zijn Steenbok die nationaal op St Vincent de negende prijs behaalde. ‘ Het is helemaal geen fondsoort,’ zei hij, ‘gewoon Tournier met wat anders erdoor geklutst dat het bij mij op de vitesse redelijk doet.’ Ik vroeg hem naar het pedigree. Nou dat was heel simpel: hij had de duif van Paul, die kreeg hem van Jan en de vader stamde af van de Hagenees en het Amsterdammertje. Het klonk interessant. ‘ Is dat die Paul die eerst kanaries had en toen zijn duivenhok in een tuinhuisje veranderd heeft,’ wilde ik weten. Karel knikte.’ Hij heeft de duiven weggedaan en zit nu op mooie dagen met z’n vrouw in dat prieel. Hij heeft eenvoudig de voorkant uit het hok gesloopt!’

 

Hij kreeg koffie met een stroopwafel. Als je zulke goeie duiven brengt, verdien je dat! Ik niesde en kuchte wat, om vooral te laten merken dat het menens was met mijn ornithose. Op de een of andere manier kwam het gesprek op duivenogen. ‘Een duif heeft een oog aan beide kanten, stel je voor dat wij dat hadden, dan zagen we alles om ons heen!’ ‘ Dat lijkt me onrustig,’ hoestte ik,’ misschien heeft zo’n beest ook wel dooie hoeken.’ ‘Van achteren kan een duif niks zien, daarom duikt een roofvogel er aan die kant bovenop,’ ‘ verkondigde mijn bezoek. Ik zei dat een duif aan de voorkant ook misschien wel een blinde plek had zitten. Dat zag ik niet goed; de ogen stonden een beetje schuin en daardoor kon er ook iets uit de voerbak gepikt worden.

 

We fantaseerden er vrolijk op los. ‘Hoor eens, Karel, verdedigde ik mij,’  vorig zomer lag ik eens met een vriendin in het gras langs de Merwede. Er kwam  een koppel duiven   over razen. Ze zaten op nog geen meter hoogte. In de verte stond een varkensschuur en de vogels koersten er recht op af. ‘ Zien die stomme beesten dat huis niet staan? Ze knallen  er zo tegen op’, zei m ’n gezellin. Dat gebeurde  ook haast, maar vlak voor de gevel waaierden  ze omhoog en opzij. ‘ Dat bewijst niks en ik wist niet dat jij een vriendin had,’ bromde Karel. Volgens hem wilden duiven bij harde tegenwind zo laag mogelijk vliegen en probeerden ze van beschutting te profiteren.’ Het gebeurt niet alleen bij laagvliegers, mijn zwarte Sjefke vloog in België tegen een hoogspanningsmast’, zei ik. ‘Jij heb gewoon geen intelligente alerte duiven, waarom denk je dat die sukkels van jou altijd te laat zijn’, sneerde hij. ‘ Kan het niet zo zijn dat ze de hindernissen pas heel laat in het oog krijgen?’ plaagde ik, want ik zag dat hij zich ergerde aan mijn  gefilosofeer.

 

‘ Hoe is met jouw afstamming?’ vroeg hij onverwacht.’ ‘Niet zo best,’ moest ik toegeven.’ Van vaderszijde  een  boer uit Groningen en de opa van moeder  kwam uit de buurt van Osnabrück. Weinig palmares, afgezien van een neef van mijn vader die een keer tweede in de elfstedentocht werd. Dat is de sportieve afdeling van onze familie. Wij zijn de kreupele tak!’ ‘ Alleen eerste prijswinnaars, kennen ze na een half jaar nog,’ lachte hij. ‘Behoor jij dan tot een ras van echte klasbakken?’ Dat was niet het geval. Zijn grootvader  was door de dorpsjeugd op een avond met een meisje in een schaapskooi opgesloten. Ze werden eerst de volgende morgen in vrijheid gesteld en van  echt slapen was die nacht niet veel gekomen. Kortom Karels vader was een product van doffer toeval en duivin geluk. Ik grinnikte. Hij kreeg opeens haast. De jonge doffer werd in de kweekren gezet bij de Thea, een Brabantse duivin en hij wenste mij succes met mijn griep.