Met  een van mijn maandagmannen had ik een meningsverschil.  Natuurlijk ging het over duiven. Waar zouden we anders over kissebissen. Ajax  en PSV misschien! Maar ik ben een voetbalanalfabeet dus daarover mag je van mij geen zinnige dingen verwachten. … Het ging over onze vogels, namelijk … Dat duiven zich  behalve tegen hoogspanningskabel s  en andere draden ook wel eens dood vlogen tegen  auto’s wanneer ze laagvliegend snelwegen kruisten, had ik in de groep gegooid.

Rinaldo was het mij oneens. Hij had dat nog nooit gezien of meegemaakt en lachte me uit.

Duiven vlogen langs de autowegen naar huis, dat hadden  geleerde Engelsen  immers  ontdekt! Hoe konden ze dan tegen een auto aanbotsen en ze gingen bij het oversteken als dat nodig was toch simpelweg een beetje hoger vliegen.

‘Volgens mij’ ,  reageerde ik, ‘vliegen die duiven overal tegen op,  ze ontwijken obstakels pas op het laatste moment. En dan maken ze een inschattingsfout. Ze kijken niet uit hun doppen of zijn kippig en moeten een  bril met gratis montuur hebben.’

De anderen bemoeiden zich er nu ook mee. ‘Duiven hebben hele goeie ogen’, riep Wim, ‘roofvogels als stipjes in de lucht, zien ze eerder dan wij.’  ‘Die hebben ze met het blote oog zo in de gaten en wij zien niks’, kuchte Johan.

Waarom houden ze hun kop op zij, wou ik nu weten, dat doen duiven toch altijd, die zitten niet met hun snavel verticaal omhoog  het luchtruim te inspecteren?

‘Omdat ze anders een stijve nek krijgen’, schetterde  Roberto, ‘dat is logisch.’ Dit lokte gelach en een paar niet ter zake doende opmerkingen uit.

‘Nee’, ageerde ik, ‘veel vogels hebben ogen aan de zijkant van hun kop zitten. Als bij jou Roberto je ogen op de plek van je oren terechtgekomen zijn, dan mag je  ‘t hoofd helemaal naar  links of rechts draaien om je vriendin eens goed te kunnen bekijken.’

Geert nam de proef op de som en  bewoog  zijn kop naar alle kanten. Hij vond ’t best lastig.

Duiven zien heel scherp en goed, begon Wim weer.  Zeker daar had hij gelijk in.  Die zien met dat ene oog meer dan jij met twee. Maar zou het niet zo kunnen zijn, Wim, dat ze voor veraf veel beter zicht hebben dan voor iets dat dichterbij is!

Iedereen begon nu door elkaar heen te roepen. Het werd een soort welles nietes kakafonie. Ik dacht, jongens denk om de buurvrouw, het arme mens schrikt  van al dat gebulder.  ‘Hou je gemak eens’,  riep ik tegen Johan en Geert. Rinaldo had allang afgehaakt.

Toen de rust terug was, zei ik: ‘En waarom vliegen mijn duiven als ik ze los laat altijd bijna tegen die hoge elzenbomen aan die daar honderd meter verderop staan.  Ze gaan pas op een meter of zo ervoor opzij.

‘Oh nou begint hij weer over zijn bomen’, mompelde Rinaldo.  ‘Dat slaat naar mijn idee helemaal nergens op’, schamperde Wim.  ‘En ze zouden toch zo langzamerhand wel moeten weten dat die bomen daar staan, hebben ze dan geen geheugen, vergeten ze dat telkens of kachelt dat spul met de blik op oneindig gewoon overal tegen aan….’ging ik verder.

‘De volgende keer neem ik een  duivenogenbril of een loep  en een paar duiven mee, sprak Roberto plechtig, dan laat ik je eens in  het oog van een goeie postduif kijken.’ ‘Heb je nog koffie’, vroeg Johan, ‘zal ik de pot even uit de keuken halen!’

©c.u.