Iemand zei eens tegen me;’ die verhaaltjes van je zijn wel aardig, maar ze hebben niks om het lijf.’ Ik knikte. Hij had helemaal gelijk. Het hier komende stukje bewijst het maar weer eens. Het was een zaterdag of een zondag. Met Pieter en Saar ging ik naar Brabant. In de buurt van Michielsgestel moest ik een vrouwtjesduif bezorgen. Er zat daar een alleenstaande doffer en Pieter en ik hadden beloofd daar verandering in te zullen brengen. Voor dat doel had ik ’Moeders Mooiste’ uitgekozen; haar meisjesnaam was Sientje, maar dat terzijde. De reis naar ’t Zuiden liep vlot. Saar trakteerde op grote dikke Wilhelmina pepermunten.

 

Op de plaats van bestemming werden  we hartelijk en royaal ontvangen. Koffie met gebak! Daarna gingen we duiven bekijken. Mooie schone vogels van één soort; bijna allemaal in blauwe uniformen; geen rood wit of bont. Ze zaten in propere hokken. Het was er brandschoon, niet overbevolkt. Je kon er van de grond eten. Met de ventilatie en de vochtigheid was niks mis. Het rook er lekker fris; het tochtte niet. Kortom mijn Sientje bofte maar met zo’n keurige duivenvilla. Ze zou niet weten wat haar overkwam. Bij mij had ze in rommelige omstandigheden geleefd. In een andere afdeling met een grote buitenren zat haar toekomstige echtgenoot. Onder het lage vloerrooster van de ren groeide een dicht aardbeienbedje. ’ Lusten jouw duiven aardbeien,’ vroeg ik onze gastheer. ’ Nou,’ lachte die,’ ze pikken er wel van en ook soms van het blad. Het is wel handig. Zo valt de duivenmest door ’t rooster. Ik zie er niks van terug en hoef niet op te ruimen. Het verdwijnt allemaal.’

 

We kregen duiven in de hand om ze te bewonderen. Ze voelden zacht en goed aan, waren op wintergewicht en keken opgewekt uit hun mooie rode ogen. Omdat ik mijn leesbril niet bij me had, kon ik niet beoordelen hoe het met de verkenningscirkels gesteld was!

Waar praten duivenmelkers over als ze zo bezig zijn! Over herkomst, afstamming, onverwachte prestaties en plannen voor het nieuwe seizoen. En over voor hoeveel belachelijk veel geld zo’n bosje veren op poten wel van eigenaar verwisselde.

 

We gingen weer in huis, kregen soep met belegde broodjes, luisterden naar muziek uit de computer: Jannes, Frans en Jantje Smit…. Brabantse en Bourgondische gastvrijheid; gezelligheid kent geen tijd. Voor we het wisten was het al ergens middag. Ik drink niet voor zonsondergang, en slaap meestal na die tijd…. maar als ik dat gewild had, had ik ook nog wel een borrel of twee gekregen.

 

Er werd een andere route voor de terugreis uitgestippeld omdat in de richting Utrecht alles vaststond. Of we nog appeltjes meewilden en ze wisten ook  een duivenmelker in  het andere dorp met walnoten. Die werd gebeld dat we eraan kwamen. De appeltjes waren een soort kabouterappels; klein rood en lekker zoet. De duivenmelkervrouw zei dat het Ballerina’s waren. Dat was nieuw voor mij! Bij het woord ballerina’s dacht ik altijd aan sierlijk dansende meisjes. Die waren vaak om op te eten, dat is zo, maar geen  grijze haar op mijn hoofd had daarbij ooit aan zoete appeltjes gedacht.

 

We reden St. Michielsgestel uit ; ergens langs de weg bij een huis stond een jute zak met walnoten. ‘Wat moet je met al die noten, Pieter’ vroeg ik, ‘ zijn die voor je duiven?’

‘Nee,’ lachte Saar achter ons in de wagen,’ die zijn goed voor z’n potentie. Misschien is dat ook wel wat voor jou.’ ‘Ik vind het maar een gedoe, noten moet je kraken; een appel kun je schillen, dat is makkelijker en gezelliger, nee, hou jij je noten, maar, bovendien heb ik geen vriendin’ reageerde ik,’ geef mij maar een portie Ballerina’s. Trouwens ik vind ik het een mooie duivennaam. Volgend voorjaar noem ik een van mijn jonge duiven zo! Het zou mooi zijn als mijn Ballerina dan voor mij veel 1e prijzen won.’

 

‘Wil je nog een Wilhelmina – pepermuntje,  vroeg Saar lachend.

 

© c.u.